Alle veilingen
×

Welcome back! Whilst you were away we added the functionality to view auctions and bid in pounds.

We are hiring!

Royal Boch (48 items)

Standaard | Gerelateerd (0)

Thumb2_52d329d0-dbe1-012f-a783-005056960004

  • Toevoegen Item aan catalogus
  • Bulk_add_button2

Royal Boch (48 geselecteerd van 48)

Belgische aardewerkfabriek, tegenwoordig gevestigd in La Louviere Lees verder

1 2 Volgende naar pagina:

Filter:
Icon-shop Te koop
Fotogalerij / Lijst / Vitrine
 
Afbeelding 1 | 2

Tip: wil je alle 48 items toevoegen, selecteer dan geen enkel item en klik op bulk toevoegen.

Royal Boch

Volledige naam
Royal Boch
Geboren
Lotharingen , 1830
Nationaliteit
België
Aantal items
48
Oudste item
"Kuifjes kunst" / Ever Meulen (2008)
Nieuwste item
"Kuifjes kunst" / Ever Meulen (2008)
Duurste item
Vaas - Delfts Blauw (€ 130,00)

Van gietijzer tot keramiek

Tijdens de Belgische revolutie in 1830 en in de periode van opstanden daarna (1830-1839) bezat de familie BOCH al een lange traditie op het vlak van de faience en veel strategische ervaring bij het inspelen op politieke en economische ontwikkelingen. Ze bouwde die knowhow op vanaf 1748, het jaar waarin François BOCH besluit het beroep van vormgieter in gietijzer op te geven om keramiek te vervaardigen in Audun-le-Tiche (Lotharingen), bijgestaan door zijn schoonzoon Pierre Valette en met de hulp van zijn drie zonen. Ze besluiten simpele stukken te produceren, goedkoop en naar ieders smaak, gemaakt met leem die uit Luxemburg kwam. François Boch overlijdt in 1854 en de faiencefabriek wordt overgenomen door zijn drie jonge zonen, Jean-François en Dominique, tweelingen van 19 jaar, en Pierre-Joseph, de jongste van 17 jaar.

1.2 De geboorte van een internationaal faience-imperium

Lotharingen wordt in 1765 Frans grondgebied en de drie broers verkrijgen een dubbele nationaliteit, de Franse en de Luxemburgse. Door de vrees voor de concurrentie van de Franse faiencefabrieken, en met hulp van de decentralisatiepolitiek van Maria-Theresia van Oostenrijk, bekomen ze in 1766 de toestemming tot het oprichten van een faiencefabriek nabij Luxemburg met aantrekkelijke belastingvoorwaarden. De stad Luxemburg verhuurt hen een onvruchtbaar stuk land, weliswaar met 7 bronnen. De nieuwe fabriek wordt er in 1767 opgericht in een gunstig arbeidersklimaat : de meerderheid van het personeel van Audun-le-Tiche is de familie Boch immers gevolgd. De fabriek krijgt de naam “Jean-François Boch et frères” die de naam van de oudste van de 3 broers onder de aandacht brengt, broer die de leiding op zich neemt. Dominique houdt zich bezig met de supervisie van de productietechnieken en Pierre-Joseph staat in voor de leiding van de productie. Tien jaar later, in 1777, stelt de fabriek 100 personen te werk, aantal dat tot 300 stijgt in 1782.

In 1792 wordt Pierre-Joseph de enige eigenaar van Septfontaines, de tweelingbroers hebben immers geen nageslacht. De Franse revolutie en de bezetting van Luxemburg door de Franse troepen herschapen de fabriek in een ruïne, maar Pierre-Joseph staat in voor de restauratie en de nieuwe start van de onderneming, geholpen door leningen en door de arbeiders die geleidelijk terugkomen.

Pierre-Joseph, en zijn zoon Jean-François nog meer, waren vernieuwers. Ze installeren ovens van grote capaciteit met klein brandstofverbruik, voeren sociale vernieuwingen in, zijn de eersten om steenkool te gebruiken in plaats van hout, introduceren het bedrukken van faience… Daarnaast werkt Jean-François, om het hoofd te bieden aan het Frans embargo van Engelse producten, die opgeleid was tot scheikundige en fysicus aan de Centrale School in Parijs, productiemethodes uit voor het maken van lood- en kobaltoxides.

In 1806 huwt Jean-François met Anne Marie Rosalie Buschman, dochter van een rijke Ardeense leerlooier. In 1809 koopt hij de oude gebouwen, die bovendien in slechte staat zijn, van de Benedictijnerabdij in Mettlach aan de Saar om er een faiencefabriek in onder te brengen, maar moet tot 1812 wachten op de nodige toestemmingen.

Het Congres van Wenen verleent Luxemburg de status van Groothertogdom, persoonlijk toegekend aan Willem, koning van de Nederlanden. Septfontaines verliest de Hollandse en Franse markt door de strenge douanerechten.

Pierre-Joseph Boch overlijdt in 1818. Zijn zoon Jean-François en zijn schoonzoon Bonaventure Dutreux (die zal overlijden in 1829) verdelen de eigendom in Septfontaines. In 1829 neemt Jean-François zijn intrek in Septfontaines, en laat zijn oudste zoon Eugène (Eugen) de leiding in Mettlach overnemen.

Daarnaast had Nicolas Villeroy, op de leeftijd van 21 jaar, in 1791, in Vaudrange aan de oevers van de Saar (nu Wallerfangen) een faiencefabriek opgericht, net zoals die in Septfontaines, voor serieproductie. De fabrieken van Boch en van Villeroy blijven naast elkaar bestaan tot in 1836, jaar van het afsluiten van een fusiecontract dat leidt tot de oprichting van de onderneming Villeroy en Boch.

Jean-François staat op het hoogtepunt van zijn industriële macht. Hij is één van de belangrijkste vennoten van de firma “Villeroy et Boch”, in 1836 gesticht na de samensmelting van de faiencefabrieken in Vaudrevange, eigendom van Nicolas Villeroy, en van de firma Jean-François Boch en compagnie. Hij wordt daardoor ook beheerder van de faiencefabrieken van Mettlach en Vaudrevange in Saar, hij leidt de fabrieken van Eich, Echternach en Septfontaines en hij is eigenaar gebleven van Audun-le-Tiche in Lotharingen. Dit bedrijf werkt twee jaar later samen met de Société d’Industrie Luxembourgeoise, belangrijke holding, die de faiencefabrieken van Eich en Echternach zal opslorpen. Daarnaast zijn Jean-François Boch, Nicolas Villeroy en een derde vennoot, Auguste Jaunez, de geldschieters bij de oprichting van een nieuw bedrijf “Paul Utzschneider & Cie”, in 1838. De porseleinfabriek in Sarreguemines kan zich hierdoor ontwikkelen. Bijkomend gegeven, zijn zoon Eugène is gehuwd met Octavie Villeroy en zijn dochter Wilhemine is gehuwd met Jean-Baptiste Nothomb, Luxemburger van geboorte, maar één van de meest actieve personages bij de oprichting van het onafhankelijk België (JECK, 2005).

1.3 Geboorte van de Belgische tak van het faience-imperium

Enige domper op de vreugde: de Belgische revolutie van 1830 en de gevolgen ervan. In die tijd leek de toekomst van de Luxemburgse faiencefabrieken, geleid door Jean-François Boch, niet rooskleurig. Het Belgisch-Hollands Verdrag der XXIV artikelen dat Willem, koning der Nederlanden, uiteindelijk toch wilde ondertekenen, splitste immers het Groothertogdom Luxemburg af van België. Met de ondertekening van het Verdrag der XXIV artikelen in Londen in 1839 en de voorspelbare toetreding van Luxemburg tot de douane-unie (Zollverein) die de Pruisen in 1834 ingesteld hadden, zou Septfontaines wellicht de Belgische markt kwijtspelen (Willem II, zijn zoon, in zijn hoedanigheid van Groothertog, trad inderdaad in 1842 toe tot het Zollverein, de douane-unie onder de knoet van Pruisen).

Jean-François BOCH ging dus op zoek naar een middel om de Belgische markt in de beste omstandigheden van faiencewerk te voorzien. Op 17 mei 184l verwerft zijn zoon Eugène op een openbare verkoop een pottenbakkerij die gelegen is op het grondgebied van de gemeente Saint-Vaast in Henegouwen. Die keuze werd onder meer beïnvloedt door de aanwezigheid van ertslagen, mijnschachten waarin uitstekende magere steenkool gewonnen werd, de nabijheid van het kanaal van Charleroi en een nabije spoorweg. De terreinen in de buurt werden in maart 1841 gekocht van de onderneming “S.A. des Charbonnages de Sars-Longchamp et Bouvy”. De fabriek die er opgericht werd onder leiding van Victor Boch zal de naam « Keramis » dragen, misschien als eerbetoon aan de Atheense pottenbakkers en ter nagedachtenis aan de oorspronkelijke pottenbakkerijen aldaar. In 1844 wordt de vennootschap onder firma “BOCH Frères” opgericht. De drie stichters ervan zijn Eugène BOCH, zijn jongere broer Victor en hun schoonbroer Jean-Baptiste NOTHOMB. Die vennootschap onder firma zal verschillende entiteiten beheren: naast BOCH Frères, ook nog Septfontaines tot in 1855, dat dan afgestoten wordt om VILLEROY & BOCH te worden, en van 1851 tot 1891 de faiencefabriek die BOCH gekocht heeft in Doornik.

Het is echter maar op 30 september 1844 dat de vennootschap onder firma « Boch Frères » opgericht wordt voor een Brussels notaris, maar met terugwerkende kracht vanaf 1 augustus 1841.

BOCH Frères begint met de productie in augustus 1844 onder leiding van Victor BOCH die aan het roer blijft tot in 1881. Charles TOCK, ingenieur, oud-leerling van de Ecole centrale de Paris, neemt zijn plaats over tot in 1904 en daarna volgt Marcel TOCK hem op.

Dankzij de gunstige geografische ligging die we hiervoor beschreven is de faiencefabriek van meet af aan succesvol: ze bouwt een stevige reputatie op door koninklijke bezoeken en door talrijke onderscheidingen behaald op internationale tentoonstellingen (om slechts die van in de beginperiode 1844-1870 te citeren: Brussel 1847, Parijs 1855, Londen 1862, Porto 1865, Parijs 1867 en Amsterdam 1869). Ze stelt in 1893 250 arbeiders te werk, bijna duizend in 1900 en 1350 in 1936 (catalogus uit 1936). Gestoeld op het model van het paternalisme en het corporatisme, werft de fabriek ervaren buitenlandse arbeiders aan, en lokale arbeiders om op te leiden, en schept ze een band met dit personeel door sociale voorzieningen en het oprichten van instituten (arbeidershuisjes, school, pensioenkas,…). De forse industriële ontwikkeling van de gemeente leidt er toe dat het gedeelte van St. Vaast waar de fabriek gevestigd is een onafhankelijke gemeente wordt die in 1869 de naam La Louvière aanneemt, het andere gedeelte van de gemeente behoudt de oorspronkelijke naam St. Vaast.

In de loop van haar geschiedenis kent de manufactuur wijzigingen van de handelsnaam, onder meer in 1948, jaar waarin ze overgaat in een naamloze vennootschap om het hoofd te bieden aan de evoluties in de markt en wordt ze “Boch Frères S.A.”. In 1949 richt ze een sanitaire afdeling op. Na een periode van groei van 1955 tot 1965 en met de ontwikkeling van de sanitaire afdeling beslist de Raad van Bestuur in 1970 tot de bouw van een nieuwe fabriek die slechts klaar is in 1972, dus te laat om nog mee te profiteren van de welvarende markt van de jaren ‘60. In 1974 is het resultaat van de afdeling “vaatwerk” negatief, en de vennootschap zal vanaf 1975 een trage dalende trend kennen, ondanks de hervormingen en de financiële tussenkomsten van de openbare besturen. In 1985 wordt Boch Frères S.A. geliquideerd en worden de activiteiten opgesplitst.

1.4 Geboorte van Royal Boch

De “Manufacture Royale La Louvière Boch”, afgekort de M.R.L. Boch, die de productie van tafelserviezen overneemt van Boch Frères, gaat in 1988 bankroet. De groep Le Hodey neemt het bedrijf in 1989 over onder de naam Royal Boch Manufacture S.A. Na verschillende opeenvolgende verliezen verkoopt die groep haar aandelen en het beheer van het bedrijf komt in handen van de tandem de Mevius-de Spoelberch.

Naast de M.R.L.Boch richt het Waals gewest een tweede vennootschap op die de productie van sanitair overneemt, activiteit die in 1991 overgaat in de Hollandse groep Koninklijke Sphinx, en daarna, in 1998, in de groep Sphinx-Gustavberg.

Op donderdag 26 februari 2009 wordt het faillissement van de “Manufacture Royale La Louvière Boch” uitgesproken door de handelsrechtbank van Bergen. Maar de fabriek blijft bezet door de 47 arbeiders. Een laatste hoop: de aangewezen curatoren hebben nog een afspraak met een kandidaat overnemer.

1.5 Hergeboorte van Royal Boch

Er wordt vandaag veel hoop gesteld in Patrick DE MAEYER, de overnemer die de nieuwe afgevaardigd bestuurder geworden is van de faiencefabriek Royal Boch, en er wordt gehoopt dat hij het laatste Belgische faiencebastion in stand kan houden.

  1. De productie - Evolutie

Er worden meestal vier duidelijk onderscheiden periodes in de evolutie van de faienceproductie in La Louvière beschreven.

2.1 1844 - 1870

Victor BOCH neemt met zijn financiële ervaring de leiding van de SNC BOCH Frères op zich. Hij krijgt hulp van de faiencefabrieken van de familie (Septfontaines, Mettlach en Wallerfangen) van wie hij gebruiksklare koperplaten kan kopen, wat hem toelaat onmiddellijk met de productie te starten. Onder die aan Keramis verkochte platen tussen 1844 tot 1846 vermelden we onder meer zichten uit Beieren en van de Rijn, genretaferelen, oosters geïnspireerde decors, het decor “Theetrinker” (sic) (Fery, 2000, blz. 39-42). De gravures op die platen, meestal uitgevoerd met beitel en stempels (150 jaar, blz. 49), werden gebruikt voor de reproductie door druk.

De allereerste decors waren monochroom, meestal gedrukt in blauw of zwart, en dragen meestal een fabrieksstempel met groot vaandel en komen wel eens van zusterfabrieken. Soms zijn ze tweekleurig, zwart voor het vignet en een ander kleur voor de rand. Enkele voorbeelden zijn:

  •      decor in zwart: genretaferelen, jachttaferelen
    
  •      decor in blauw: Laurier B.F., Orient, Orient II, Grand bouquet, Ronda, GG
    
  •      decor in zwart of in blauw: Theetrinker, Wild rose, Clyde Scenery
    
  •      decor in blauw of in mangaan: Althea, Althea op bestelling, Jardinière, Hollyhock.
    

Sommige van die decors worden lichtjes onscherp gedrukt voor Engelse en Amerikaanse klanten die tuk zijn op dit soort afbeeldingen.

Rond 1860 komen de polychrome stukken op door accenten in kleur onder of op het glazuur, soms bestaan zowel monochrome als polychrome stukken van eenzelfde decor:

  •      oosters geïnspireerde en/of antieke decors: Pompeia en Pompei, Japonica, Canton met groene hoofdkleur en later met andere hoofdkleuren, Nanking, Yedo, Dames chinoises, Timor, …
    
  •      andere types polychrome decors: Perdrix, Pérou, Charlotte II, romantische en familiale taferelen met kinderen.
    

De productie van oosters geïnspireerde decors wordt in de volgende periode verdergezet.

Romantische taferelen, stadsgezichten, heiligen of heiligen met hun attributen, veldslagen van Napoleon, humoristische scènes en “combles” (het toppunt van), spoorwegreizen, meestal uitgegeven in reeksen van 12, zijn evenveel onderwerpen voor faiencedecors. De heren MOUZIN (Henri-Joseph, Henry en Charles of Carl) zijn de belangrijkste graveurs ervan (Fery, 2000).

Vanaf die periode heeft Boch Frères wereldwijd tonnen witte faienceproducten afgezet, zonder enig decor, soms verhoogd met een in de massa gegoten reliëf (150 jaar, 322, blz. 173), (Cosyns en Bragard, blz. 207).

Tijdens deze periode voegt Victor BOCH aan de productie van faience de fabricage toe van fijn aardewerk met een decor van barbotine en met vergulde accenten. Die stukken van fijn aardewerk, op de wijze van Palissy, worden meestal in reliëf gemerkt met een gele stip. Overigens worden de decors voor dagelijkse gebruiksvoorwerpen beïnvloedt door Luxemburg en Engeland, maar ook door de decors uit Straatsburg en de decors van de Manufacture de Tournai die mochten gebruikt worden na de aankoop ervan in 1851. Zo werd het Doorniks decor met de naam “à la mouche” door MOUZIN bij BOCH opgenomen onder de namen “Grand Bouquet” of “Ronda”.

De productie omvat tafelserviezen, koffie- of theeserviezen, toiletsets (waterkom, bassin voor voetbaden, nachtpot,…), diverse voorwerpen in fijn aardewerk en enkele religieuze voorwerpen.

2.2 1870 - 1892

Rond 1874, in het licht van de verwoede interesse van verzamelaars van oude faiencestukken, werft Victor BOCH Hollanders uit Maastricht aan, waaronder ook sommigen die al ervaring in Delft opgedaan hadden. Die Hollandse faienceschilders brengen hun kennis, ervaring en wetenswaardigheden mee. Dank zij hun medewerking werden de werkmethodes van weleer teruggevonden en toegepast op een andere klei dan bij de pottenbakkers in Delft. Op een periode van reproductie van decors volgt een periode van vernieuwing, onder meer met de polychrome decors op witte ondergrond, of blauw, groen of zwart, en daarna nieuwe decors. Voor meer uitleg over deze voorwerpen in de stijl van Delft verwijzen we naar het werk “150 ans”, op blz.157-160.

De luxefaience wordt versierd met Delftse decors, wat een specialiteit wordt van de manufactuur onder de benaming “la Chambre des peintres hollandais” te herkennen aan een typische handgeschilderde “B“ onderaan de stukken. Voor die artistieke producten in de Delftse stijl vervangt het handgeschilderd decor de gedrukte versiering. Honderdduizenden stukken werden wereldwijd verkocht dankzij een uitgebreide catalogus. De catalogus/prijslijst van 1887, die voornamelijk gewijd is aan Delftse stukken bevat 16 bladzijden met afbeeldingen van Delft en enkele bladzijden met illustraties van “Kioto et fonds divers”, van “Fond bleu Sèvres doré”, “Barbotine” en “Rhodes” en eenzelfde aantal bladzijden met de prijzen! Er wordt zelfs een supplement 1887 aan toegevoegd. De productie van stukken in de stijl van Delft stopt niet in 1892 want de catalogus/prijslijst van 1899 bevat nog 26 bladzijden illustraties van Delft en 3 bladzijden afbeeldingen van artistieke schilderijen op glazuur en evenveel bladzijden prijzen! Overigens worden ook Perzische of Chinese decors, decors van Rouen, van Saint-Amand-les-Eaux en van Sèvres gebruikt.

Daarnaast blijft de faiencefabriek tafelserviezen produceren met gedrukte decors van motieven die vroeger al ontworpen werden, zoals de prijslijst van 1877 aantoont, onder meer met de decors Ronda, Saxe, Grand Bouquet, Glands, Willow, Clyde Scenery, Althea lichtjes onscherp, Jardinière lichtjes onscherp, Charlotte, Ronce en Canton met groene ondergrond.

In die catalogus van 1877 zien we ook dat decors verschijnen zoals de Vieux Rouen en nieuwe vormen zoals verluchte of blinkende dessertserviezen. Volgens o.a. Lenglez (blz. 63), werd tijdens de zogezegd Delftse periode aan de schilders ook gevraagd om Rouen en Perzische motieven te imiteren.

2.3 1892 - 1920

Sommigen menen dat deze periode de minst interessante zou zijn, en bestempelen die als “post MOUZIN”, wat onterecht is. Dit tijdperk is immers de periode waarop de art nouveau een uitbarsting kent van innovaties die aansluiten bij de traditie. De decors Jasmin in groen, Jasmin in blauwgrijs, Capucines, Lucien, Rosa en Prunelle zijn enkele voorbeelden van die art nouveau strekking.

De romantische landschappen worden gebruikt voor decoratieve panelen in kleine tegels (weidse landschappen met bomen, invloed van de Italiaanse Renaissance…). De keramiek voor de panelen wordt nog beïnvloedt door de Hollandse stijl uit de XVII eeuw geïnspireerd door Frans HALS of nog door de Perzische stijl (Iznik). De art nouveau (zie hierna) verschijnt met het pointillisme van onder meer FINCH, die het in zijn kortstondig verblijf in La Louvière (1890-93) klaarspeelt om die techniek in de vervaardiging van Delftse eetserviezen te introduceren. Vertrekkend vanuit klassieke bloemenslingers, en ze dan te vereenvoudigen en te styliseren, overstijgt QUENNOY de art nouveau om snel te evolueren naar decors die helemaal niet misstaan in de art deco. Voor het vaatwerk vormen de stijlen in reliëf een specialiteit uit die tijd, de Straatsburgse bloemen blijven actueel, decors worden ontleend aan Meissen (Copenhague), Emile DIFFLOTH voert blauw en gouden decors in de stijl van Sèvres in.

Vermelden we nog dat de gebroeders BOCH in 1906 Charles CATTEAU in dienst nemen, een uitzonderlijke personaliteit, met een reputatie die snel zal gekend zijn buiten de muren van de firma BOCH, door zijn lesgeven, zijn lidmaatschap van artistieke cirkels, zijn samenwerking met andere manufacturen.

2.4 1920 - 1950

De tafelserviezen grijpen nog maar eens terug naar talrijke decors en reeksen uit vroegere periodes. De catalogus uit 1936 toont de diversiteit van de productie van de gebroeders Boch, zowel in termen van heruitgave van decors als in termen van tekenen van nieuwe decors in art deco. Hierna enkele voorbeelden uit die catalogus:

  • heruitgaven uit de eerste periode: reeks 1 van Napoléon, Grand Bouquet, GG, Laurier BF, …

  • heruitgaven uit de tweede periode: decors Pyrus, Luxembourg, abeilles, Delft, Copenhague, decor Tournay, Laurier BFK, …

  • heruitgaven uit de derde periode: Lucien, Pyrus, Dugazon, Rosa, Bonaparte, Ney, …

  • nieuwe art deco modellen: Corbeille, Melba, Damier, …

Die periode wordt vooral gekenmerkt door de productie van siervoorwerpen en van art deco serviezen die uitgewerkt werden in het fantasieatelier van Charles CATTEAU. Hij sleept een eerste prijs in de wacht op de Parijse internationale tentoonstelling van moderne decoratieve en industriële kunsten in 1925 met een vaas in aardewerk, verschillende voorwerpen waaronder een qua afmetingen indrukwekkende vaas met herten en reeën. Met zijn ploeg medewerkers zal hij duizenden vazen en siervoorwerpen in fijne faience en aardewerk vervaardigen, daarbij verschillende glazuurtechnieken ontwikkelend (glansglazuur, craquelé of mat cloisonné op de wijze van Longwy), dat alles in typisch gestyliseerde art deco decors ontleend aan de geometrie of aan de planten- en dierenwereld, soms teruggrijpend naar het japonisme. Die productie van siervoorwerpen leidt ook tot de creatie van art deco decors op tafelserviezen. Bij het vertrek van Charles CATTEAU in 1950 nam Raymond CHEVALLIER de fakkel over.

2.5 1950 - 2009 De faienceproducenten zoeken een toekomst in twee verschillende richtingen, enerzijds via innovatie door moderne en originele decors, en anderzijds door zich te richten op een kwalitatieve luxeproductie van hoog niveau, dat alles met een beperkt aantal werknemers.

Invoerdatum
08-09-2012 12:59:14
Ingevoerd door
1955-chevy